Krijg nieuwsbrief

Please enable the javascript to submit this form

 
 

Contacteer ons
(Open van 8:30 uur tot 17:00 uur)

Schrijf.be copy & content
Willem Geetsstraat 9, 2800 Mechelen
BE 0848.540.558 

+ 32 15 27 55 10  -  info@Schrijf.be




Menu

Vijf tips voor uw kinderboek

kinderboeken schrijvenCoördinator Lore en ik hebben allebei een boon voor kinderliteratuur. En waar het hart vol van is, vloeit de pen van over. Sinds enkele weken zit ik dan ook vastgekluisterd aan mijn laptop. Ik fantaseer, schrijf en schrap dat het een lieve lust is.

Zo schrijft u een verhaal voor kinderen

Mijn gids in Jeugdboekenland? Auteur Stefan Boonen. Tijdens de opleiding ‘Schrijf je eigen kinderboek’ maakte hij Lore en mij wegwijs in de literaire wegen richting kinderhart. Enkele tips:

  1. Kies een hoofdpersonage dat een beetje wringt. Het personage moet goede én slechte eigenschappen hebben. Maak er dus geen heilig boontje van.
  2. Zorg voor actie. Breng uw hoofdrolspeler uit evenwicht. Laat hem of haar iets meemaken, liefst binnen de eerste tien lijnen van het verhaal.
  3. Stop emotie in uw verhaal. Zorg ervoor dat het personage evolueert, maar blijf ver weg van clichématige beschrijvingen.
  4. Wees gul met dialogen. Kinderen houden van gesprekken, want die geven vaart aan het verhaal.
  5. Gebruik humor. Zeker als u over een ernstig onderwerp vertelt. Een traan werkt beter als er een lach op volgt. En oh ja: ‘stoute’ woorden doen het ook altijd goed.

Ondertussen pende ik al tien hoofdstukken neer. En daar ben ik best trots op. Nee, niet alle paragrafen zijn pico bello in orde. Ik moet nog veel schaven en schrappen. Maar ik volg wel trouw dit Schrijf.be-advies: angst om te schrijven, overwint u door … te schrijven. Zet uw vingers aan het werk en schrijf wat er in u opkomt. Dan krijgt het verhaal vanzelf vorm.

Het eerste hoofdstuk

En nu, dames en heren, is het tijd voor mijn vuurdoop als schrijver. Ik presenteer u: mijn eerste hoofdstuk. Hoe denkt u dat het verhaal zal evolueren?

Het was een maandag, vlak na school. Max, Jef en ik stonden vlak bij de scherpe rotsen boven het meer. Jefs haar waaide alle kanten uit. Zijn kleren wapperden om zijn lijf. Maar hij merkte er niets van. Hij was te bang. Van ons.

“Springen!” schreeuwde Max tegen de wind in. “Wil je onze vriend worden? Dan moet je het water in duiken. Anders ben je gewoon een loser.”

Jef draaide zich om, zijn gezicht naar de rotsen. Hij zou nooit springen, wist ik. De sprong was te groot, het meer lag zo’n drie meter dieper. En Jef droeg zijn beste kleren: een das met glimmende schoenen. “Speciaal voor de klasfotograaf”, had Jef tegen de juf gezegd.

Jef jammerde: “Ik wilde alleen maar voetballen met Len!” Hij keek naar mij. “Dat is toch niet erg?”

Max klikte met zijn tong: “Als je vrienden wilt worden met Len, moet je vrienden worden met mij. Toch, Len?”

Ik zweeg.

“Dus je kunt kiezen”, ging Max verder. “Springen en onze vriend worden. Of niet springen en nooit meer een woord tegen ons zeggen.”

Jef huilde zachtjes. Ik beet op mijn tanden, mijn kaken zeurden van de spanning. Achter mij hoorde ik geritsel. Een kat of een konijn.

“Max, het wordt laat”, probeerde ik. “Ik moet echt naar huis. Je kent mijn moeder! Ze wordt meteen doodongerust en kwaad en …”

“Het duurt niet lang meer”, antwoordde Max kalm. “Toch, Jef? Ik tel tot drie.”

Jef keek naar beneden en haalde diep adem. “Een. Twee. D…”

Toen suisde er iets voorbij. Iemand. Een kind of een volwassene, dat kon ik niet zien. Hij ging veel te snel. We stonden allemaal vijf tellen perplex voor ons uit te staren. Naast mij hoorde ik Jef klappertanden. Toen stapte Max naar voren: “What the fuck?!”

We keken naar beneden. Cirkels in het water. Dan een hoofd en lange, donkere haren. Een meisje. Zo oud als wij, of misschien iets jonger. Ze proestte en trappelde. Toen ging ze op haar rug liggen en keek ze naar boven.

“Poepsimpel! Maar jullie vriend wil ik niet worden, hoor. Ik vind er wel leukere!”

Toen dook ze weer onder.

Reageer